Potscherven die gevonden werden in een grot in China zijn ongeveer 20.000 jaar oud, of 2.000 jaar ouder dan eerdere vondsten. De potten dateren van vele duizenden jaren voor de uitvinding van de landbouw.
Het oudste aardewerk dat in de voorbije twintig jaar werd gevonden, is hoofdzakelijk afkomstig uit Oost-Azië. De vondsten zijn vele duizenden jaren ouder dan de opkomst van de landbouw. Het klopt dus niet dat landbouwers potten uitvonden om hun oogst in te koken of voorraden in op te slaan.
De Chinese potscherven dateren uit het Laatste Glaciale Maximum, tussen 25.000 en 19.000 jaar geleden. Die periode ging gepaard met heel wat technologische vooruitgang. Dankzij aardewerk en nieuwe stenen werktuigen kon de mens zijn dieet van planten en dieren uitbreiden, bijvoorbeeld door moeilijk verteerbaar voedsel te bewerken of te koken. Volgens bepaalde wetenschappers stimuleerde het groeiende gebrek aan voedselbronnen de vooruitgang, die uiteindelijk zou leiden naar het cultiveren en later ook domesticeren van gewassen.
De onderzoekers stelden vast dat potten op een laag vuurtje gebakken werden. Het aardewerk werd uit verschillende lagen opgebouwd of gevormd uit uitgerolde klei. De onderzoekers publiceerden hun bevindingen in het wetenschappelijk tijdschrift Science. (idr)
Reageer via Facebook