De kerncentrale van Fukushima Daiichi, op 250 kilometer van de hoofdstad Tokio, was wel degelijk bestand tegen zware aardbevingen – ook tegen de zeebeving van 11 maart 2011, die een kracht had van 9 op de schaal van Richter. Het was de enorme vloedgolf, met golven tot 10 meter hoog, die in de kerncentrale letterlijk het licht uitdeed. Een deel van de noodgeneratoren die waren opgestart om het wegvallen van de netstroom op te vangen, werd door de kracht van het water buiten gebruik gesteld. Daardoor stopte de circulatie van koelwater in drie van de zes kernreactoren van de centrale van Fukushima.
Meltdown
Bij alledrie de reactoren was er sprake van een kernsmelting, of meltdown. Daarbij loopt de temperatuur van de nucleaire brandstofelementen extreem hoog op, waardoor de kernbrandstof gaat smelten – in het ergste rampscenario dwars door de bodem van het reactorvat en het reactorgebouw heen. TEPCO, de Japanse uitbater van de kerncentrale van Fukushima, gaf enkele weken na de ramp toe dat in reactor 1 vrijwel alle kernbrandstof was gesmolten en tot op de bodem van het reactorvat was gezakt. Bij de reactoren 2 en 3 was er slechts sprake van een gedeeltelijke meltdown, met voor beide reactoren één derde van de kernbrandstof dat was gesmolten. Ook waren er problemen met een hoeveelheid gebruikte kernbrandstof die in een koelbad lag af te koelen.
Lozingen
We kunnen met zekerheid stellen dat er tijdens de eerste dagen en weken na de tsunami een aanzienlijke hoeveelheid radioactief materiaal is vrijgekomen uit de centrale van Fukushima. Dit zowel door lozingen in de atmosfeer (door ventilatie van het oververhitte koelsysteem) en door lozingen van gecontamineerd zeewater in de oceaan – en doorsijpeling van dat koelwater in het grondwater. Maar om welke hoeveelheden het precies gaat, is nog onduidelijk.
Zeewater
De reden daarvoor is dat de operatoren massaal zeewater lieten aanvoeren op de oververhitte kernbrandstof af te koelen, zeewater dat daarna gewoon terugvloeide naar de oceaan. Het is immers maar nauwelijks bekend wat er precies gebeurt wanneer je extreem hete kernbrandstof probeert te blussen door er zeewater over te gieten, althans dat schrijven drie Amerikaanse stralingsexperts in een artikel dat deze week verschijnt in Science.
De auteurs betogen dat er nauwelijks onderzoek is gedaan naar de mate waarin radioactief materiaal wordt meegevoerd door zeewater – en vooral: wélke radioactieve elementen daarbij worden meegesleurd. Dus ook al zouden we de totale hoeveelheid zeewater kennen die is gebruikt om de drie oververhitte reactoren en de gebruikte kernbrandstof in het koelbad te blussen, dan nog is het gissen naar de juiste hoeveelheid radioactiviteit die richting oceaan of grondwater is gevloeid.
Eén tiende van Tsjernobyl
Het feit dat er in de directe omgeving van de centrale van Fukushima sporen van plutonium zijn gevonden – een van de gevaarlijkste radioactieve elementen – wijst erop dat er ook radioactief materiaal is ontsnapt via de lucht. ‘Plutonium lijkt voor velen de grote boosdoener, maar in feite is de stof alleen gevaarlijk als ze wordt ingeademd’, zegt Hans Van Marcke, hoofd onderzoek stralingsbescherming aan het SCK-CEN in Mol. ‘En laat plutonium net een van de minst vluchtige elementen zijn. Verder dan enkele tientallen meters van de centrale geraakt deze stof niet.’
De belangrijkste – lees: meest vluchtige – radioactieve componenten die in de fall-out van een kernramp zoals die van Fukushima en Tsjernobyl terechtkomen, zijn jodium-131, cesium-134 en cesium-137. ‘Radioactief jodium kan na inademing ernstige gezondheidsschade opleveren, maar het verdwijnt door zijn korte halveringstijd (8 dagen) gelukkig al snel uit de atmosfeer. Daardoor blijft het grootste deel van de risico’s beperkt tot het gebied rond Fukushima en Japan. Ongeveer hetzelfde gebeurt met cesium-134, dat met 2 jaar een veel kortere halveringstijd heeft dan cesium-137 (circa 30 jaar). Op den duur zullen we dus voornamelijk nog cesium-137 terugvinden in de atmosfeer.’
Hoe groot was de atmosferische lozing bij Fukushima precies? Van Marcke: ‘Uit verschillende rapporten blijkt dat de oppervlakte van het gebied dat was blootgesteld aan de gevaarlijke fall-out, ongeveer één tiende bedroeg van die van het gecontamineerde gebied na de ramp in Tsjernobyl.’ Toch is ook een deel van de fall-out tot in bij ons geraakt, al gaat het niet om gevaarlijke hoeveelheden radioactief materiaal. ‘In België hebben we inderdaad sporen van radioactief jodium en cesium gemeten die afkomstig waren van Fukushima. Alleen zat de activiteit van deze stoffen ver onder het niveau van de natuurlijke radioactieve achtergrondstraling.’
Wie wil nog kernenergie?
Sinds de kernramp van Fukushima hebben alleen België, Duitsland, Italië en Zwitserland beslist hun nucleaire capaciteit af te bouwen. De andere landen gaan door met hun nucleair programma: of ze plannen een verlenging van de bestaande infrastructuur, of ze plannen de bouw van nieuwe centrales, of ze starten voor de allereerste keer met kernenergie (zoals Polen bijvoorbeeld).
'De vier eerstgenoemde landen namen hun beslissing na de gebeurtenissen in Fukushima, dus het is zeer aannemelijk dat die beslissing rechtstreeks een gevolg is van de gebeurtenissen van 11 maart', zegt Matthias Meersschaert van het Nucleair Forum. 'Andere opmerkelijke vaststelling: in het Verenigd Koninkrijk was het maatschappelijk draagvlak voor kernenergie bijzonder fel gekrompen na de kernramp van Fukushima, maar nu, 1 jaar later, is het hoger dan ooit tevoren: 1 op 2 Britten is resoluut voorstander van kernenergie.'
Reageer via Facebook