In oktober gaat Frans Delbeke met pensioen. Het hoofd van het Doping Control Laboratory (DoCoLab) van de Universiteit Gent bouwde zijn lab uit tot een van de wereldspelers in de dopinganalyse en het wetenschappelijk onderzoek in de branche. Een dopingjager vertelt.
Met professor Delbeke neemt een grote naam van het Belgisch wetenschappelijk firmament afscheid. De afgelopen 35 jaar maakte hij als geen ander kennis met de zwarte schaduw die al decennia over het professionele sportgebeuren hangt: het misbruik van medicijnen als ongeoorloofde prestatiebevorderende middelen, een droef sportief bedrog. Zijn dopinglab maakt deel uit van de faculteit Geneeskunde van de Universiteit Gent en is het enige in de Benelux met een accreditatie van het WADA, het Wereldantidopingagentschap dat in 1998 is opgericht. Het houdt alle belangrijke wielerwedstrijden in de gaten, doet analyses voor de internationale atletiekfederatie, onderzoekt de helft van de stalen uit Nederland en voert analyses uit voor de Vlaamse en Franse gemeenschap.
‘Brussel en de Duitstalige Gemeenschap zijn nog steeds een beetje blinde vlekken’, zegt Frans Delbeke. ‘Ze hebben nooit veel potten gebroken in de bestrijding van doping. Sinds kort is er dan toch een overeenkomst die het mogelijk maakt om ook controles te doen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.’ Elk WADA-lab moet het gros van de stoffen op de verboden lijst kunnen detecteren. ‘Het WADA heeft ook minumumgrenzen opgelegd’, zegt Delbeke. ‘We moeten bijvoorbeeld anabole steroïden kunnen detecteren op tien nanogram per milliliter, dat zijn dus tien deeltjes op een miljard deeltjes urine. Wij zijn in staat om bijvoorbeeld in India in een bevolking van 1 miljard 1 man of vrouw te vinden en daarenboven nog te zeggen hoe hij of zij heet. Bij sommige andere producten moeten onze tests zelfs nog gevoeliger zijn. Vorig jaar hebben we zesduizend stalen onderzocht met een percentage positieven van 3 procent.’
Dat gaat om de analyse van urinestalen, maar u doet ook bloed.
‘Wij waren een van de weinige labs die vanaf 2000 op stap gingen met apparatuur om buitenshuis bloed te analyseren. Eerst controleerden we alleen op de hematocrietwaarde, maar daarna ook op hemoglobine en het percentage reticulocyten, de voorlopers van bloedcellen. Wij zijn met die bloedcontroles begonnen na de grote eposchandalen. Het hematocriet kan variëren van 42 tot 52 bij mannen. Wie dus 43 heeft, is bevoordeeld tegenover iemand die van nature 48 heeft. Met een lagere waarde kan je dus epo gebruiken en toch onder de grens van 50 blijven, terwijl iemand met 48 meteen door die grens heen schiet. Vandaag gebruiken we het ‘bloedpaspoort’, dat niet alleen hematocriet bevat, maar ook hemoglobine en de reticulocyten. Als basis voor het paspoort heeft men per atleet zeven controles met normale waarden nodig, waaruit dan de referentiewaarden kunnen worden gedistilleerd. Daarvoor hoeven we niet meer op stap zoals vroeger. We krijgen nu bloedstalen toegestuurd vanuit heel Europa.’
Naast de dopinganalyse doet uw lab ook wetenschappelijk onderzoek.
‘Dat is zeer belangrijk voor ons, en we staan ook aan de top in dat domein. Als je kijkt naar het aantal A1-publicaties, peer to peer-publicaties, dan zijn wij nu de nummer twee in de wereld van alle WADA-labs. Het laboratorium in Keulen staat op de eerste plaats, maar daar werken wel 64 mensen. In Gent zijn we met 15 onderzoekers, en toch halen we gemiddeld een tiental A1-publicaties per jaar.’
Waar zijn jullie op dit moment mee bezig?
‘Vooral met het verbeteren van de analysemethodes, zodat we bijvoorbeeld verder kunnen teruggaan in de tijd. Uiteraard worden we daarbij geholpen door de technologie. We zijn ook bezig met de vereenvoudiging van de methodiek. In het verleden had je een screening nodig voor amfetamines, een ander deel van de urine werd getest op anabolica, nog een ander deel op bètablokkers … Nu proberen we – en we zijn er niet ver meer af – naar één extractie te gaan voor alle klassieke middelen op de verbodslijst van het WADA: anabolen, diuretica, bètablokkers, narcotica, stimulantia.’
Werken jullie op epo en groeihormonen?
‘Nee, wel op anabole steroïden. Op dit moment werken we een steroïdenpaspoort uit van de endogene (lichaamseigen) steroïden, naar analogie met het bloedpaspoort. Toen bijna dertig jaar geleden bleek dat labs anabole steroïden konden detecteren, stapten sporters onmiddellijk over op endogeen testosteron. Ze dachten dat labs nooit het verschil zouden kunnen zien tussen eigen testosteron en toegediend testosteron. Dat was de tijd van de Olympische Spelen in Moskou in 1980. Dat waren zogezegd schone Spelen, maar later bleek dat veel atleten aan het endogeen testosteron zaten.’
‘Intussen kijkt men naar de verhouding in het lichaam tussen testosteron en epimeer epitestosteron. Die verhouding is normaal 1 op 1. Als je jezelf testosteron toedient, gebeurt er niets met je epitestosteron. Dat verandert dus de verhouding en wijst op mogelijk dopinggebruik. Uiteindelijk besliste het IOC dat een atleet vanaf een verhouding 6 op 1 positief werd verklaard. Maar er waren problemen. Die verhouding is namelijk niet absoluut. Ik heb zelf atleten meegemaakt met een T/E-verhouding van 12 op 1 die geen testosteron hadden gebruikt.’
‘Je kunt natuurlijk ook kijken naar de resultaten van vroegere analyses, want de T/E-waarde kan individueel niet zoveel schommelen, hooguit 30 procent. En daar dient het steroïdenpaspoort voor. Dat zal nog heel wat werk kosten, want het meten van steroïdenconcentraties is niet zo makkelijk, en op dit moment zijn er nog te vaak verschillen in de resultaten van de verschillende labs. Een andere grote uitdaging zijn de zogenoemde designersteroïden, die bekend zijn geworden in de Amerikaanse Balco-affaire, waar atleten als Marion Jones bij betrokken waren. De steroïden die het voedingssupplementenbedrijf Balco leverde, waren norboleton en vooral THG, een afgeleide van het synthetische hormoon gestrinon. En Balco ontwikkelde ook een zalf met testosteron én epitestosteron zodat de T/E-verhouding niet varieerde. Balco bleek een samenwerkingsverband te zijn met onder meer mensen die in dopinglabs hadden gewerkt. Veel chemie komt er overigens niet aan te pas bij de ontwikkeling van die designersteroïden. Bij Balco had men gewoon gestrinon genomen, dat je met kilo’s in China kunt kopen, en daar met waterstof en een gepaste katalysator tetrahydrogestrinon van gemaakt, dat anabole kwaliteiten heeft.’
‘Sinds de Balco-affaire is men overal begonnen met het maken van designersteroïden. De aanmaak gebeurt in de Verenigde Staten, China en India en ze worden in de VS op de markt gebracht als voedingssupplementen. We proberen dat probleem nu aan te pakken door te werken met een open screening-methode, waarbij we kijken naar een groep van ionen die typisch is voor de structuur van steroïden. Misschien stuiten we op een blauwe maandag op zo’n onbekende designersteroïde.’
Uw lab is het enige dat daarvoor werkt met muizen.
‘Als je wil weten hoe onze lever een product afbreekt en welke metabolieten dat in de urine oplevert, heb je een proefpersoon nodig die dat product inneemt. Vroeger deden wij dat geregeld zelf, tenslotte ging het om geteste medicijnen waarvan de bijwerkingen bekend waren. Maar vandaag ligt dat anders. De ethische commissie laat niet toe dat proefpersonen eender wat slikken. Designersteroïden zijn ook geen geteste medicijnen. Niemand kent hun mogelijke bijwerkingen of hun toxiciteit. Dus moesten we een andere manier verzinnen. En die hebben wij gevonden. Binnen onze vakgroep zit een afdeling die vaccins tegen aids onderzoekt met muizen met een menselijke lever. Het gaat om muizen die ‘immunodeficiënt’ zijn en een leverziekte hebben. Als men die muizen menselijke legevaarlijk’vercellen toedient, recupereert hun lever en kan hij zelfs tot tachtig procent een menselijke lever worden.’
‘Wij dienen deze speciale muizen en gewone muizen al vier jaar steroïden toe, en we hebben gezien dat de muizen met een humane lever dezelfde metabolieten afscheiden als de mens. Ze zijn dus perfect voor ons onderzoekswerk. Er zijn maar twee of drie laboratoria in de wereld die in staat zijn dergelijke muizen te produceren, en alle WADA-labs benijden ons die beestjes. Jammer genoeg leven de muizen niet lang en zijn ze ook erg duur. Maar ja, wetenschap kost geld.’
Ziet u nog andere evoluties in het dopingjagen?
‘Ik vind dopingjager een lelijk woord. Wij zijn analytisch scheikundigen. Er wordt altijd gezegd dat wij achter de feiten aanlopen, dat de bedriegers sneller zijn. Dat is zo. Maar we pakken ze toch altijd. In 1973 was er het niet opspoorbare methylfenidaat (onder de merknaam Ritalin en Rilatine op de markt gebracht, red.), een amfetamine-achtige. Tot we de methode ontwikkelden om het te detecteren. In 1974 liep een aantal belangrijke wielrenners tegen de lamp, onder wie Walter Godefroot.’
In 1977 kwam dan pemoline of ‘stimul’. Freddy Maertens (en Joop Zoetemelk, red.) hebben er onder anderen van gesnoept. Voordien konden we dat ook niet vinden. Daarna is men overgeschakeld op anabole steroïden, dan op lichaamseigen steroïden en vervolgens kwam epo. Wij zijn inderdaad altijd achterop blijven hinken, maar de periode tussen het moment waarop het product op de markt komt en het moment waarop wij het kunnen detecteren is steeds korter geworden.’
‘En nu werken we zelfs pro-actief. We zijn nu al bezig met geneesmiddelen die nog in de pijplijn zitten bij de farmaceutische bedrijven en waarvan we kunnen vermoeden dat ze zullen worden gebruikt als doping. Wij zijn bijvoorbeeld bezig met de Sarms, de Selective androgenic receptor modulators, die ingrijpen op de androgeenreceptoren in de cel en die dus een anabool effect hebben zonder de gevaren (leverschade) van sommige anabole steroïden. Dat doen we in samenwerking met het laboratorium van Keulen en we zullen er opnieuw onze muizen voor gebruiken.’
En de nieuwste dopingsensatie aicar?
‘Die trainingspil is inderdaad hot, want als je aicar neemt, krijg je spieren zonder te trainen. Alles wat over aicar wordt beweerd is echter hoogst speculatief. Het is op dit moment alleen uitgetest op muizen. We weten zelfs niet of het werkt bij mensen en welke dosissen je moet gebruiken. Het zullen in elk geval geen kleine dosissen zijn. Bij de muizen werd er, geloof ik, tien milligram per kilo lichaamsgewicht toegediend. Dat is heel veel. En aicar is duur, veel duurder dan epo. Het product verbrandt vet en zal uiteindelijk op de markt komen als een vermageringsmiddel. Op dit moment zetten wij onze eerste stappen in het volgen van deze stof. Aicar is lichaamseigen, we onderzoeken nu de urinestalen routinematig op aicar.’
Jullie hebben dus een methode om aicar te detecteren?
‘Aicar is een eenvoudige molecule. Aicar detecteren is voor ons niet zo moeilijk.’
Intussen komen ook de biochemische dopingmiddelen eraan, en gendoping.
‘Dat zal ik niet meer meemaken. In mijn studententijd stond de biochemie nog in de kinderschoenen. Nu is de tijd voorbij dat de dopinganalyse een scheikunde van eenvoudige moleculen was. Vandaag zijn het peptiden en proteïnen. Dopinganalyse is al lang geen zuivere analytische scheikunde meer. Je hebt nu bijkomende specialisten nodig zoals biochemici, hematologen (bloed, beenmerg en lymfeklieren, red.) en endocrinologen (klieren met afscheiding in het lichaam, red.).’
Zijn er dopingproducten die moeilijker op te sporen zijn?
‘Er blijft een probleem met epo. De sporters zijn snel van epo op aranesp overgestapt, en vervolgens op cera, epo van de derde generatie. Op dit moment dient men epo ook toe met microdosissen. Epo terugvinden is al lastig. Met die microdosissen is het nog moeilijker geworden. Bovendien is er nu ook generische epo op de markt, uit Rusland, China, Brazilië, Argentinië … En die heeft iedere keer net een iets andere structuur.’
Is epo nog steeds de dopingtrend van het moment?
‘In 2008 hebben we ruim duizend stalen op epo onderzocht en geen enkel staal was positief. In 2009 vonden we op 1.700 stalen twee positieven. De epomethode is arbeidsinstensief en er komen weinig positieven uit. Dat is soms frustrerend.’
In uw statistieken zien we dat er steeds minder positieve gevallen zijn. Wil dat zeggen dat er minder epo wordt gebruikt?
‘Ik denk het niet. De dopingzondaars weten nu hoe ze aan detectie kunnen ontsnappen. En ze blijven ook endogeen testosteron gebruiken, maar niet langer met inspuitingen. Ze gebruiken het oraal in de vorm van tabletten: 40 milligram Undistor, waarmee je negen uur later onder de grens van de T/E-verhouding 4:1 zit. Testosterongel wordt om dezelfde redenen ook gebruikt. Maar de bedriegers zijn toch niet gerust meer. Er zijn nu veel meer controles buiten competitie. De Vlaamse Gemeenschap kan komen aankloppen, maar ook de internationale federaties en het WADA …’
Nochtans beweren sommige sportjournalisten dat er een mentaliteitswijziging is.
‘Ik geloof daar niet in. Misschien gebruiken de beloften in het wielrennen niet, maar die beloften worden prof. En dan?’
Reageer via Facebook