Frontsoldaat voor een dag

Opnamedag ‘Parade’s End’

De Eerste Wereldoorlog geldt bijna honderd jaar na datum nog steeds als ‘de oorlog die nooit vergeten mag worden’. Ook fictieseries moeten daarbij helpen. Eind 2011 blikte de BBC in België de minireeks ‘Parade’s End’ in. Eos Memo was aanwezig tijdens opnames in de loopgraven.

Het front ligt vandaag niet in de Westhoek, maar in Branchon, een gehuchtje tussen Brussel en Namen. Die verhuizing was pure noodzaak, want een uitgestrekte vlakte zonder huizen, windmolens of autowegen in de weg bleek onvindbaar ‘aan den IJzer’. Ik parkeer mijn wagen aan de rand van het front, een strook niet veel groter dan honderd bij honderd meter, compleet met omgewoelde aarde, afgebrande boomstronken, opengereten obussen en andere brokstukken die landbouwers in de Westhoek nog dagelijks bovenploegen. Een gigantische rookmachine blaast kille mist over het veld. Het is hier doodstil.

Mijn gids aan het front is historisch adviseur Patrick Vanleene. Hij coördineerde bij het zoeken naar historisch accurate locaties en rekwisieten, en ziet er op de set op toe dat er geen fouten tegen de geschiedenis worden gemaakt. ‘Het nagebouwde front in Branchon is geïnspireerd op het werk van Paul Nash (1889 - 1946), een officiële frontschilder die zelf meevocht in Ieper. De gelijkenis is sprekend. De reconstructie was een echt huzarenstukje. De bovenlaag vruchtbare akkergrond moest er volledig af, om plaats te ruimen voor dit dode landschap. Na de opnames wordt het hele karwei trouwens overgedaan. Dan gaat de verschroeide aarde er weer af en wordt het veld zo goed als mogelijk in zijn originele staat hersteld.’

We duiken de loopgraven in. Voor de aanleg ervan baseerden de decorbouwers zich onder andere op bouwplannen die in oude kranten verschenen. Patrick wijst me op het verschil tussen Britse en Duitse loopgraven. ‘De Duitse zijn breder, dieper en steviger. Ze zijn uitgerust met een planken vloer en verstevigde wanden van gevlochten takken. De Duitsers wilden het verblijf in de loopgraven zo comfortabel mogelijk maken – ze waren hier immers om te blijven. De Britse legerleiding dacht daar duidelijk anders over. Zij hanteerden een keiharde oorlogsfilosofie: hoe minder comfort, hoe gemotiveerder de soldaten zouden zijn om snel door te breken. Maar die verhoopte doorbraak kwam er niet, en de soldaten verbleven maanden of zelfs jaren in miserabele slijkgrachtjes. En dan zijn in deze serie de ratten er nog niet bij, dat zag de regisseur niet zitten.’

Patrick toont mij – een beetje ontgoocheld – de Britse promotieposter van Parade’s End. ‘Dat gebeurt er wanneer je de poster niet eerst langs de historisch adviseur laat passeren.’ Op de poster is het silhouet van drie soldaten te zien, maar het is de krullende prikkeldraad waar Patrick de aandacht op wil vestigen. ‘De prikkeldraad die hier te zien is, dateert uit de Tweede Wereldoorlog. In de Eerste Wereldoorlog werd de draad in rechte lijn gespannen tussen ijzeren ‘varkensstaarten’ (bij de Britten; zo genoemd omwille van de krul in de draad, red.) of houten palen (bij de Duitsers). Die fout zit uiteraard niet in de opnames, al is de gebruikte prikkeldraad ook niet authentiek. Die bestaat gewoon niet meer, toch niet in voldoende hoeveelheid, en werd in plastic nagemaakt. Hij is aan de lopende meter te koop bij een gespecialiseerde firma.’

Historisch correcte prikkeldraad
We verlaten de loopgraven. Het is tijd voor opname, en dan wil de Britse regie ons het liefst zo ver mogelijk buiten beeld. Van op een afstand zie ik een namaakgranaat ontploffen op nog geen meter van hoofdrolspeler Christopher Tietjens. Die had zich in een loopgraaf verschanst en schreeuwt het nu uit van de pijn. Op een veilige afstand zitten vier Britse soldaten op een plastic vouwstoeltje te wachten tot ze – eindelijk – de loopgraven in mogen. Een surrealistisch zicht. De jongens discussiëren over hoe ze hun wapen straks zo echt mogelijk kunnen hanteren. De goesting druipt er vanaf.

De figuranten zijn duidelijk gecast op basis van hun uiterlijk: het zijn magere maar atletische jongens, in de twintig, niet groter dan 1m75 en met een kortgeknipte coupe. Hun uniformen zijn op basis van referentiefoto’s nagemaakt in Polen. ‘En ze zijn tot op de dag waarop deze scène zich afspeelt historisch correct’, verzekert Patrick Vanleene. ‘De legeruitrusting veranderde gedurende de oorlog. Het uniform van de Duitsers uit 1917 verschilt bijvoorbeeld behoorlijk van dat uit 1914, toen er nog klassieke pinhelmen gedragen werden. Het is mijn verantwoordelijkheid dat de soldaten de juiste kostuums dragen.’

 

Patrick geeft de soldaten zelfs nog wat lastminute slijkadvies: ‘Jullie pak moet goed onder het slijk zitten, maar je geweer hou je op elk moment proper. Dat was in de oorlog van levensbelang. Als er aarde in de loop kwam, kon het geweer dienst weigeren of zelfs in het eigen gezicht ontploffen.’ Officieren maakten hun kleren op een andere manier vuil: ‘Hun lange trenchcoat bleef eigenlijk relatief proper, maar droeg een kenmerkende ‘modderkraag’ onderaan, een gevolg van het waden door het slijk.’

Een adviseur van het Belgische leger, adjudant Dany Debreyer, leerde de figuranten voor de opnames marcheren, bajonetgevechten, salueren en het wapen hanteren. Ook tijdens het draaien waakt Debreyer over de militaire correctheid. ‘Zo werd een hele scène geschrapt waarin soldaten met geweer op de schouder een generaal salueren. Dat werd niet gedaan.’

Over vijftig jaar is alles fake’
De wapens waarmee de figuranten vandaag vechten zijn nagemaakt, en de bajonetten zijn van plastic. Dat moet voor de veiligheid op de set. Ook de kanonnen zijn niet echt, zelfs niet van metaal. Het zijn simpele plastic buizen met een likje verf. Maar het resultaat is net echt.

Er zijn wel uitzonderingen. Wapens die close-up in beeld komen, zijn authentiek. Een Britse mitrailleur die in de serie echt schiet, is bijvoorbeeld afkomstig uit het Imperial War Museum in Londen. Die echtheid geldt ook voor een heleboel andere attributen. In een grote opslagcontainer naast de set toont Patrick mij een doos met springstof, kookgerief, een schop en zelfs een potlood en kaartspel. Stuk voor stuk waardvol antiek. ‘Tegenwoordig zijn die spullen almaar minder betaalbaar. Het duurdere antiek wordt daarom gehuurd bij gespecialiseerde antiquairs.’ Soms wordt het nodige setmateriaal ook op de vreemdste plaatsen gevonden. ‘De matten van gevlochten wilgentakken waarmee de Duitsers de wand van hun loopgraven verstevigden, konden we nergens vinden. We wilden ze bijna laten namaken, tot ik in een tuincentrum toevallig botste op een moderne versie. Blijkbaar zijn deze ‘loopgravenmuren’ tegenwoordig populair als omheining voor in de tuin.’

Patrick merkt op dat hij in de toekomst niet altijd zoveel geluk zal hebben, en dat het almaar moeilijker wordt om authentiek materiaal uit de Eerste Wereldoorlog terug te vinden. ‘Over vijftig jaar zal alles noodgedwongen fake zijn. In dat opzicht is een serie als deze – met grotendeels authentieke rekwisieten – een uniek document.’

Impact
De serie is uiteraard fictie, maar Vanleene schat de historische waarde ervan niet lager in dan die van een documentaire. ‘Documentaires vertellen vaak alleen de harde cijfers, hoeveel mensen er stierven of welke slag waar en wanneer werd uitgevochten. Ze tonen niet hoe elk individu de oorlog beleefde, hoe zowel rijk als arm zich destijds voelde. Dat lukt wel in fictieseries als deze.'

Parade’s End is gebaseerd op de gelijknamige tetralogie van Ford Madox Ford. De schrijver put uit eigen ervaringen, onder andere als officier aan het front in Vlaanderen. Centraal staan de Engelse aristocraat Christopher Tietjens, zijn vrouw Sylvia en Valentine Wallop, een jonge durfal en suffragette. 'Het verhaal gaat over liefde en verraad, maar toont ook hoe de arrogantie van de Britse high society tot de oorlog heeft geleid. De Britten waren blind voor de militaire groei en de motieven van Duitsland, en bleven naïefweg denken dat zij de touwtjes in handen hadden. Ze beschouwden de oorlog als een niet te missen avontuur, maar offerden zo een hele generatie op. De oorlog heeft levens blijvend ontwricht. Nooit eerder bracht een oorlog zoveel verwoesting. In de serie kan je die persoonlijke impact voelen, en dat is voor mij dé grote meerwaarde ervan ten opzichte van documentaires.’

Made in Flanders
Bij de opnames werd waar mogelijk gekozen voor historisch accurate locaties in Vlaanderen. Er werd onder andere gefilmd in de art-nouveauvilla Hurlebise, het Bommenvrij in Nieuwpoort en het kasteel Sinte-Flora in de Moeren bij Veurne.

Kasteel Sinte-Flora – de Moeren (Veurne)
Dit kasteel deed in het begin van de oorlog dienst als veilig onderkomen voor Belgische oorlogsvluchtelingen. In juni 1917 werd het de woning van koning Albert I, die zijn villa in De Panne had verlaten uit veiligheidsoverwegingen, omdat de kustsector Nieuwpoort opnieuw in het oog van de storm kwam te liggen. In dit kasteel ontving de koning hoog bezoek van de Italiaanse koning Victor Emanuel III, de Britse kroonprins Edward, de Franse opperbevelhebber Ferdinand Foch en maarschalk Joseph Joffre. In de serie krijgt de locatie een andere functie: het is het hoofdkwartier van Generaal Campion, en Brits basiskamp in Rouen. Alleen het paradeplein voor het kasteel en het interieur komen in beeld, voor de gevel gebruikten de Britten het 18de-eeuwse kasteel van Poeke, bij Aalter.

Bommenvrij - Nieuwpoort
Het Bommenvrij-complex is het enige bouwwerk in Nieuwpoort dat de Eerste Wereldoorlog relatief ongeschonden heeft doorstaan, vandaar ook de naam. Het zeer zware bakstenen gewelf van het voormalige kruitmagazijn kon ontploffende granaten opvangen. Het interieur bleef daardoor vrij intact, en is na de oorlog nooit meer gebruikt. Daardoor ademt de ruimte vandaag nog altijd de sfeer van de Groote Oorlog. In de serie doet het Bommenvrij dienst als een militair hospitaal, waar hoofdrolspeler Christopher Tietjens herstelt van een granaatontploffing.

Villa Hurlebise - Nieuwpoort
Villa Hurlebise dateert uit 1868 maar raakte tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig verwoest, en werd in de jaren twintig heropgebouwd. De villa staat symbool voor het ontstaan van het elitaire en exclusieve Nieuwpoort Zeebaden (nu: Nieuwpoort-Bad). De façade komt niet in beeld. De eerste verdieping – drie slaapkamers en een gang die eindigt in een indrukwekkende traphal – gaat door voor de bovenverdieping van het Hôtel de la Poste in Rouen. De kelder van villa Hurlebise bestaat uit een netwerk van donkere ruimtes die gelijkt op een echte loopgravenconstructie. In de serie doet ze dienst als een commandopost, en is gelegen onder een kapotgeschoten hoeve aan het Vlaamse Front.

 
Dit artikel verscheen eerder in Eos Memo, het geschiedenisblad van Eos Wetenschap. Alle Eos Memo-nummers zijn bestelbaar via scienceshop.be of in de Eos-app op iPad en Android. Daarnaast kunt u het geschiedenisnieuws volgen via de tweewekelijkse nieuwsbrief van Eos Memo.


Reageer via Facebook