Zo verliep de Nederlandse ontdekking van Antarctica

Groot-Brittannië en de Verenigde Staten claimden gedurende vele jaren de ontdekking van Antarctica in januari 1820. Europese ontdekkingsreizigers benaderden echter al veel eerder Antarctica en van sommigen werd lange tijd beweerd dat ze Antarctica hadden ontdekt. Het waren vooral Nederlanders die in Antarctische wateren hadden geopereerd en die het continent hadden kunnen claimen, wat ze nooit deden. Wie zijn de Nederlandse kandidaten voor de ontdekking van Antarctica?

Example Text

Een Russische expeditie onder Thaddeus von Bellingshausen was in 1820 in Antarctische wateren en voer steeds zuidelijker tot ze op 28 januari werd tegengehouden door wat Bellingshausen beschreef als ‘een muur van ijs die van oost naar west loopt.’ Bellingshausen zag de Finibul IJsbarrière maar wist niet wat die ijsmuur voorstelde. Men neemt nu aan dat een ijsbarrière deel uitmaakt van het Antarctisch continent, en dus ontdekte Bellingshausen die dag Antarctica.

Terzelfder tijd was Edward Bransfield, een officier van de Britse Royal Navy, in Antarctica. Hij zag op 30 januari 1820 ‘hoge bergen bedekt met sneeuw’. Hij zag de bergen van het Antarctisch Schiereiland en daarmee ook het Antarctisch continent.

Hetzelfde jaar nog, op 18 november 1820, zag de Amerikaanse robbenjager Nathaniel Palmer het Antarctisch continent en noemde het Palmer Land. De Amerikaanse claim wordt tegenwoordig niet meer ernstig genomen. De Britten bleven volhouden. Indien het observeren van rotsen, bergen of land de norm is voor de ontdekking van een continent, dan ontdekte Edward Bransfield Antarctica. Indien een ijsbarrière wordt gezien als zijnde continentaal, dan ontdekte Bellingshausen Antarctica.

Europese - en dan vooral Nederlandse - ontdekkingsreizigers, die al veel eerder Antarctica benaderd hadden en het continent hadden kunnen claimen, deden dit niet. De Amerikanen en de Britten noemden de verhalen over de Nederlandse ontdekking van Antarctica zeer twijfelachtig en negeerden ze. Hoe kwamen deze expedities tot stand?

DE EERSTE NEDERLANDSE EXPEDITIE

De Rotterdamse Compagnie, die hoofdzakelijk bestond uit Zuid-Nederlanders (Belgen) die na de val van Antwerpen geëmigreerd waren naar Rotterdam, zond de eerste Nederlandse expeditie naar de Stille Oceaan uit via de Straat Magellaan. Bij het plannen van hun reis volgden zij instructies van astronoom en cartograaf Petrus Plancius. De schepen waren Liefde, Hoop, Geloof, Trouw en Blijde Boodschap. Jacques Mahu en Simon de Cordes waren admiraal en viceadmiraal van de vloot. Het plan van de expeditie was om Europese goederen te ruilen tegen zilver in Chili en Peru.

Op 27 juni 1598 verliet de vloot van vijf schepen Rotterdam met een bemanning van 491 koppen. Ondanks een goede voorbereiding verliep de reis desastreus. De schepen bereikten op 6 april 1599 de ingang van de Straat Magellaan. Daar had de expeditie veel tegenwind en er werd besloten een deel van de winter in de Cordesbaai (nu Fortescue-baai) door te brengen. Op 23 augustus verlieten de schepen de Cordesbaai en langzaam zeilden zij de Straat Magellaan uit. Op 4 september 1599 bereikten ze de Stille Oceaan.

Enkele dagen later kwam de vloot in een zware storm waarbij alle schepen van elkaar gescheiden werden. Er keerden slechts 51 man terug, ongeveer 405 anderen stierven ten gevolge van ziekte, de vijand of ze verdwenen met hun schip. Anderen werden gevangengehouden in vreemde landen. Financieel was de reis eveneens rampzalig. Vier schepen waren verloren gegaan met hun lading en er was niets verkocht.

Deze reis is belangrijk omdat de opvarenden van de Blijde Boodschap Antarctica ontdekten en omdat een van de mannen van de Blijde Boodschap met een Spaanse expeditie tot 64 graden zuiderbreedte voer.

BERGACHTIG LAND VOL SNEEUW

Na het verlaten van Straat Magellaan werd het schip Blijde Boodschap, dat onder leiding was van Dirck Gerritsz (°Enkhuizen 1544 of 1545), door storm naar het zuiden gedreven. Volgens een document uit 1622, dat Jacob le Maire publiceerde, ontdekte deze expeditie Antarctica.

De tekst uit 1622 is als volgt: ‘Door al deze tegenwinden werd Dirck Gerritsz, die zijn boegspriet en fokkenmast verloren had, ver naar het zuiden gedreven, namelijk tot vierenzestig graden bezuiden de Straat, en op die hoogte zijnde zag hij in het zuiden hoog bergachtig land, vol sneeuw, helemaal wit bedekt zoals het land van Noorwegen, en het strekte zich uit in de richting van de Salomonseilanden, van daar is hij naar Chili gevaren.’

Het is bijna onmogelijk om in die tijd een zo correcte beschrijving van Antarctica te geven zonder het land gezien te hebben. Wellicht ontdekte Gerritsz Antarctica. Ten zuiden van Zuid-Amerika is er land waarvan de kusten ruwweg tussen 62 en 66°Z liggen en ten tijde van de publicatie was er een algemeen geloof dat het onbekende Zuidland rijk, vruchtbaar en bevolkt was.

LAURENS CLAESZ VAART DOOR ANTARCTISCHE WATEREN

De Antwerpenaar Laurens Claesz (°Antwerpen ca. 1564) die voordien op de Blijde Boodschap werkte, werd net als de andere opvarenden van de Blijde Boodschap door de Spanjaarden gevangengenomen en ondervraagd. Hij werd gedwongen te werken op Spaanse schepen. Zijn diensten werden blijkbaar op prijs gesteld, want hij ging mee met twee Spaanse ontdekkingsreizen.

In 1607 was hij in Panama, op weg naar Nederland. Claesz werd niet uitgeleverd als gevangene en had de vrijheid herkregen als beloning voor bewezen diensten. Thuisgekomen, in 1608, legde hij een verklaring af over zijn Spaanse reizen, die later gebruikt werden bij de voorbereiding van de reis van de Nassausche vloot onder Jacques l’Hermite.

Uit de verklaring blijkt dat Laurens Claesz in 1603 deelnam aan een tocht met drie schepen Jesús María, Nuestra Señora de la Visitación en Nuesta Señora de las Mercedes onder bevel van Gabriel de Castilla. Tijdens deze reis werden de kusten van Chili geëxploreerd. In maart passeerden de schepen de Straat Magellaan. Vervolgens exploreerde de Castilla de zee ten zuiden van Vuurland en hij voer zeer ver zuidelijk, tot 64 graden zuiderbreedte.

Zijn verklaring na thuiskomst wordt algemeen beschouwd als de eerste directe getuigenis van een schip dat in Antarctische wateren voer en het schip voer zeer ver zuidelijk, tot 64 graden zuiderbreedte.

Laurens Claesz nam deel aan de enige Chileense expeditie die voor de twintigste eeuw in Antarctische wateren voer. Chileense historici zochten in archieven naar verdere informatie over deze tocht door Antarctische wateren, maar vonden geen bijkomende gegevens.

Het kan niet uitgesloten worden dat Claesz de Spanjaarden had verteld over de ontdekking door Gerritsz van land in het zuiden en dat de Spanjaarden ernaar op zoek waren gegaan. Mogelijk werden ze gestopt door sneeuw, ijs en ijsbergen.

ZOEKTOCHT NAAR HET ONBEKENDE ZUIDLAND

De grote vraag die blijft is waarom de ontdekking van land door Gerritsz en het bereiken van een hoge breedtegraad niet bekend gemaakt werd na de terugkeer in Nederland. Dat de ontdekking verzwegen werd aan de Spanjaarden is begrijpelijk, dat er in eigen land niet over gesproken werd is verwonderlijk.

De reden is wellicht dat de mannen van de Blijde Boodschap gevraagd werden om over de ontdekking te zwijgen en mogelijk werden zij voor die geheimhouding betaald. Eén man had veel reden om de ontdekking van een brede doorgang ten zuiden van de Straat van Magellaan te verzwijgen en dat was Isaac le Maire. Isaac le Maire (Doornik 1558 - Egmond 1624) verhuisde in 1581 van Doornik naar Antwerpen waar hij een enorm fortuin vergaarde. Na de Val van Antwerpen vestigde hij zich in Amsterdam.

Le Maire had in 1599 een eigen vloot naar Oost-Indië gezonden en had goede zaken gedaan in de handel in specerijen. Hij was een van de medeoprichters en hoofdaandeelhouders van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in 1602, maar kwam spoedig in conflict met het VOC-bestuur. Le Maire verliet in 1605 deze compagnie. Hij wilde echter zaken blijven doen met Indië ondanks het monopolie van de VOC.

In het octrooi van de VOC stond met betrekking tot het monopolie ‘dat niemand anders dan die van de genoemde Compagnie … zal mogen varen … ten oosten van de Kaap de Goede Hoop, of door de Straat van Magellaan, op straf van verbeurdverklaring van schepen en goederen.’ In het VOC-octrooi stond vermeld dat het verboden was om ‘door de Straat van Magellaan’ te varen. Blijkbaar had niemand het mogelijk geacht dat er ten zuiden van de straat nog een vaarweg was. Er werd immers algemeen aangenomen dat het land ten zuiden van de straat deel uitmaakte van het onbekende Zuidland.

EXPEDITIE VAN ISAAC LE MAIRE

Isaac le Maire had al de reisverhalen van eerdere tochten die ver zuidelijk gingen verzameld en had daarbij geld noch moeite gespaard. Hij wist dat de Engelsman Francis Drake in 1578 na het verlaten van de Straat Magellaan ver naar het zuiden was gedreven, tot 57°Z, en daar alleen zee zag.

Ongetwijfeld was hij ook in contact geweest met leden en sponsors van de expeditie van Mahu en De Cordes. Hun verhaal over de ontdekking van Antarctica was hem al bekend nog voor hij zijn eigen expeditie organiseerde. Le Maire was ervan overtuigd dat die zeeweg bestond.

Le Maire was een steenrijke zakenman die gewoon was zijn zin door te drukken. Voor Le Maire was het zeer belangrijk dat de VOC geen vermoeden kreeg dat zulke vaarweg bestond, want in dat geval zouden zij het octrooi wel eens kunnen aanpassen. Als hij bijgevolg vernam van de teruggekeerden van de Blijde Boodschap over een zuidelijke zee, dan zal Le Maire er grote sommen voor over gehad hebben om iedereen te laten zwijgen over deze ontdekking en de aanwezigheid van het Zuidland op hoge breedtegraad. Het is pas na de terugkeer van de expeditie van zijn zoon dat hij in 1622 de ontdekking van een brede zee en land op 64°Z bekend maakte en publiceerde.

BREDE PASSAGE

In 1614 richtte Isaac le Maire samen met andere ondernemers de Australische Compagnie op die tot doel had het zoeken naar een nieuwe doorgang naar de Stille Oceaan. Op 14 maart 1614 kreeg de Australische Compagnie van de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden (de regering) een octrooi dat hen toelating gaf om een nieuwe doorvaart te zoeken en om handel te drijven met nieuw te ontdekken gebieden.

Op 25 januari 1616 voer een expeditie door een straat die een eiland van Vuurland scheidde. Deze gebieden waren nieuw, het eiland werd Staten Land genoemd als dank aan de Staten-Generaal die aan de Australische Compagnie de toelating had gegeven om deze reis te mogen ondernemen. De kust van Vuurland kreeg de naam Maurits van Nassau Land naar de prins die hen had toegelaten om in naam van de staat verdragen af te sluiten. De straat die beide landen scheidde, kreeg de naam Straat Le Maire naar Jacob le Maire, de leider van de expeditie.

De volgende dagen volgde het schip Eendracht de kust in zuidelijke en dan in westelijke richting. Op 29 januari kwam het schip bij een kaap die de meest zuidelijke bleek te zijn van Vuurland. Le Maire noemde ze Kaap Hoorn naar de stad Hoorn. Le Maire noteerde dat hij ten zuiden van Kaap Hoorn niets dan zee zag, wat betekende dat de expeditie een zeer brede passage gevonden had. Het zou nog tot 12 februari duren eer de Eendracht ter hoogte kwam van de uitgang van de Straat Magellaan. Het was dan zeker dat men zich in de Stille Oceaan bevond en dat een nieuwe zeeweg gevonden was. De expeditie had daarmee haar doel bereikt.

POSTUUM REISVERSLAG

In oktober 1616 bereikte de expeditie de Nederlandse nederzetting in Jakarta. De VOC die ondertussen van de reis vernomen had, gaf de opdracht om de schepen bij aankomst te confisqueren. De Eendracht werd inderdaad in beslag genomen evenals de scheepsjournalen. Jacob le Maire en ervaren schipper Willem Cornelisz Schouten werden teruggestuurd naar Holland, waarbij Jacob op 31 december 1616 onderweg overleed, hij was 31 jaar oud.

De VOC herschreef de geschiedenis door de ontdekking van Kaap Hoorn in zijn geheel aan Willem Cornelisz Schouten toe te kennen. De VOC publiceerde zijn scheepsjournaal, waaruit de naam van Jacob le Maire geschrapt werd. Het is een voorbeeld van hoe machthebbers de geschiedenis trachtten te herschrijven. Isaac le Maire was echter schatrijk en procedeerde jarenlang om dat te herstellen. In 1619 oordeelde de rechtbank dat het schip de Eendracht ten onrechte in beslag was genomen en dat de journalen moesten worden teruggegeven.

In 1622 publiceerde Isaac le Maire, om recht te doen aan zijn zoon, postuum een gedetailleerd reisverslag. Hierin vermeldde hij ook zijn kennis over eerdere expedities die ver zuidelijk gingen en noteerde hij de hierboven vermelde ontdekking van Antarctica door Gerritsz.

DE EXPEDITIE VAN BLOMMAERT EN NIQUET

Veel minder is geweten dat niet alleen Isaac le Maire een expeditie uitzond ter ontdekking van een nieuwe doorgang naar de Stille Oceaan. Nog twee andere Nederlanders, Samuel Blommaert (Antwerpen 1583 - Amsterdam 1651) en Jacques Niquet (Antwerpen 1571 - Amsterdam 1642), zochten concurrentie aan te doen aan de VOC. Zij waren beiden familie van Gerard Reynst (Amsterdam ca. 1568 - Jakarta 1615) die sinds 1614 gouverneur-generaal van de VOC was. Blommaert en Niquet zonden in 1615 een schip met de naam Mauritius de Nassau naar Angola onder het bevel van Jan Remmetsz uit Purmerend. Remmetsz had instructies om na Angola, waar levensmiddelen en water aan boord werden genomen, verder zuidwaarts te varen tot hij het onbekende Zuidland bereikte.

Blijkbaar vernamen de bewindhebbers over deze reis en hadden ze er geen vertrouwen in. Blommaert werd op 30 januari 1616 in Amsterdam ondervraagd door de Heren XVII, het centrale bestuur van de VOC. De vraag of Blommaert of Niquet brieven hadden gericht aan Reynst en of die op de hoogte was van de plannen werd door Blommaert ontkennend beantwoord.

ANDERE WEG

Het plan van Blommaert en Niquet was gelijklopend aan dat van Isaac le Maire. Net als Le Maire beweerde Blommaert dat hij het VOC-octrooi niet zou schenden door via een andere weg dan de Straat Magellaan naar Oost-Indië te varen. De VOC nam dit initiatief zeer ernstig en kwalijk en zag er wel een schending van het VOC-octrooi in. Zij stuurden brieven naar Reynst en andere autoriteiten en vroegen om, indien dit schip Oost-Indië zou bereiken, ‘gestrengelijk te procederen, zonder verschoning van iemand, wie hij ook zij’.

Dit is nog een voorbeeld van de manipulatie van de geschiedenis. Er is geen verdere informatie bekend over de reis van de Mauritius de Nassau.

Vermoedelijk werden alle documenten van deze reis in beslag genomen op vraag van de VOC om anderen niet op hetzelfde idee te brengen. Hoe ver zuidelijk het schip raakte en of het Antarctica bereikte is niet bekend. Alleszins bereikte de Mauritius de Nassau Oost-Indië niet, want dan had men daarover vernomen in de archieven. Schipper Jan Remmetsz keerde zeker terug naar Nederland want hij werd enkele jaren later weer vermeld in andere zaken. Wellicht mochten Blommaert en Niquet geen gerucht meer geven over deze reis die streng veroordeeld werd door de Heren XVII.

Blommaert werd later bekend als een van de bewindhebbers van de West-Indische Compagnie (WIC) en als een van de medestichters van de kolonie Nieuw-Zweden in de Nieuwe Wereld. Zijn compagnon Jacques Niquet was een van de belangrijkste personen van de Noordse Compagnie.

EEN VLAAMSE BOEKANIER IN ANTARCTICA

Kapitein Johan Davids was met Franse boekaniers naar West-Indië gevaren en ging daar in dienst van de Engelsen. Hij werkte lange tijd als kwartiermeester op het Britse kaperschip Bachelor’s Delight. Nadat zijn kapitein John Cook overleden was, koos de bemanning hem als nieuwe kapitein.

Vermeldenswaardig is dat Davis in de Stille Oceaan een tijd verbleef op de Galapagoseilanden, waar allerlei wild werd gevangen voor voedsel. Vervolgens ging hij zuidwaarts. Tijdens zijn tocht door de Stille Oceaan ontdekte hij een eiland dat de naam Davis Island kreeg. Door sommige ontdekkingsreizigers, zoals James Cook, werd geuit dat dit eiland mogelijk het huidige Paaseiland is.

Eind december 1687 keerde de Bachelor’s Delight van de westkust van Zuid-Amerika terug naar de Caraïben. Davids maakte een zeer moeilijke ronding van Kaap Hoorn. Nabij Vuurland kwam hij in zwaar stormweer terecht. Zijn schip werd ver zuidelijk gedreven, tot 62°45’Z. Lionel Wafer, de chirurg aan boord, schreef dat ze op 25 december 1687 enorme tafelvormige ijsbergen zagen. In sommige geschriften werd geopperd dat het mogelijk en zelfs waarschijnlijk is dat Davids tijdens zijn tocht de Zuidelijke Shetlandeilanden en mogelijk ook het Antarctisch Schiereiland waarnam, en dus Antarctica ontdekte.

TAFELVORMIGE IJSBERGEN

Wafer meldde nog dat de Bachelor’s Delight niet alleen zeer zuidelijk ging, maar dat het schip ook ver naar het oosten gedreven was. Davids moet de Zuidelijke Shetlandeilanden gemist hebben, die ruwweg tussen 61°Z en 63°Z liggen. Waarschijnlijk voer hij er oostelijk voorbij en kwam hij nabij de Weddellzee, vanwaar de grote tafelvormige ijsbergen afkomstig waren. Davids keerde later met de Britten terug naar Engeland en voer van daar vermoedelijk naar zijn thuisland.

Edward Davis, zoals hij algemeen gekend is, hoort in het rijtje van de belangrijkste boekaniers uit de zeventiende eeuw. In enkele Britse werken in de achttiende en begin negentiende eeuw werd beweerd dat de Engelsman Edward Davis Antarctica ontdekte. Nadat James Burney in zijn boek History of the Buccanneers of America dat in 1816 verscheen, noteerde dat Edward Davis een Nederlander was, werd hij niet meer vermeld als mogelijk ontdekker van Antarctica.

MEER ONTDEKKINGEN

Nederlanders waren in vroegere eeuwen niet alleen betrokken bij de ontdekking van Antarctica. Er zijn ook verhalen over Nederlanders die de Noordpool bereikten, de Noordoostelijke en Noordwestelijke Doorvaart zochten, Frans Jozef Land en Spitsbergen ontdekten, overwinterden op Nova Zembla, Spitsbergen, Noord-Rusland en Jan Mayen. Al deze gegevens over Zuid-Nederlandse poolreizen in vroege tijden (voor 1830) worden samengevat in het boek Chronologische encyclopedie van de Belgische Poolgeschiedenis – deel 1 van Jozef Verlinden dat weldra verschijnt.

Jozef Verlinden (1952) is doctor in de wetenschappen. Al vele jaren is hij gefascineerd door de poolgebieden. Hij was medeorganisator van de eerste Belgische toeristische scheepsreizen naar Antarctica in 1997, 1998 en 1999 en nam de volgende jaren tot 2018 als gids en voordrachtgever deel aan cruises naar Antarctica, Spitsbergen, IJsland en Noordoost-Groenland. Hij hielp bij de organisatie van meerdere tentoonstellingen over Belgische poolexpedities in België en in Argentinië. Verlinden schreef meerdere boeken over de Belgische poolgeschiedenis waaronder Poolnacht (Lannoo, 1993), Naar Antarctica (Lannoo, 2009) en Adrien de Gerlache - De Biografie (Davidsfonds, 2022).